Bestudeer je theelepeltjes

Leven in een verfdoos

‘Je past je aan, zei Paul Klee, aan de inhoud van je verfdoos. Je aanpassen aan de inhoud van je verfdoos, zei hij, is belangrijker dan de natuur en het bestuderen daarvan. De schilder, met andere woorden, past zijn palet niet aan aan de wereld. Hij past zeker niet de wereld aan aan zichzelf. Hij past zichzélf aan aan zijn verf.’

Het citaat komt uit een essay van de Amerikaanse schrijfster Annie Dillard dat heet ‘Schrijver in de wereld’. Ik las het toevallig op de dag dat België in een tweede lockdown ging wegens de coronacrisis. Met de bekende gevolgen. Iedereen moet zo veel mogelijk thuisblijven, zo weinig mogelijk contacten hebben, kortom zoals het inmiddels ingeburgerd is in Vlaanderen: ‘Blijf in uw kot.’ 

Ik herlas enkele keren de bedenking van Paul Klee, ‘je past je aan aan de inhoud van je verfdoos’. Eerst vond ik het een interessante, laconiek verwoorde gedachte die iets wezenlijks zegt over de omgang van kunstenaars met hun materiaal. Vervolgens daagde me iets anders.Die verfdoos is ‘het kot’, bedacht ik, waarin wij nu moeten blijven. En waaraan we ons, inderdaad, moeten aanpassen. En de ene verfdoos is de andere niet, ze komen in maten en soorten.  Natuurlijk zijn de verschillen tussen onze huizen, waarin wij ons nu moeten verschansen – van villa’s tot krotten – onvergelijkbaar veel groter dan die tussen verfdozen. Maar ik doel op het idee van de beperking; we moeten het nu noodgedwongen doen met onze verfdoos.                  

‘Het doen met’, wat een uitdrukking. Ze heeft meerdere betekenissen. Van het nogal pejoratieve ‘het aanleggen met’ tot het nuchtere ‘hier moet ik het mee doen’. Om die laatste betekenis gaat het me.                 

Uiteraard moet iedereen het doen met wat zich voordoet, aandient in zijn bestaan. Maar ‘some are more equal than others’, stelde schrijver George Orwell al vast in zijn beroemde dystopische allegorie over de mensheid, Animal farm (1945).                 

Velen onder ons koesteren in die zin een zeer begrijpelijk vooruitgangsgeloof, altijd op naar beter en meer. Nu echter, door toedoen van een pandemie, is het motto anders. Op naar beter met minder. Veel minder.                 

Het citaat van Klee deed me denken aan twee andere, veel beroemdere en te pas en te onpas gebruikte citaten. Het eerste is van de dichter Goethe, ‘In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister’ (‘Pas in de beperking blijkt de meester’). Het tweede is van de architect Mies van der Rohe, ‘Less is more’. Dat hoef ik niet eens te vertalen.                 

Hoe verschillend de drie, de schilder, de dichter en de architect hun uitspraak ook bedoeld hebben, en in heel andere contexten, ze hebben wel één gedachte gemeenschappelijk. Die heeft te maken met het grootse in het kleine. Of wat bescheidener, het vele in het geringe. Het zou natuurlijk absurd zijn te stellen dat wij nu allemaal in onze verfdoos, waartoe we ons noodgedwongen moeten beperken, het grootse zullen ontdekken en scheppen. Niet iedereen is Paul Klee.                  En toch.                 

Ik geloof in de bescheidener versie, het vele in het geringe. Ik zie het om me heen gebeuren. In diverse vormen.                  Een vriendin is begonnen aan een puzzel van, in mijn ogen, oneindig veel deeltjes, schijnbaar voor járen. Het is in de uren en dagen meer dan een verstrooiing geworden. Het blijkt van haar kindertijd geleden. En uiteraard is een puzzel leggen op gevorderde leeftijd anders dan toen. Er zijn véél meer stukjes nu, en meer losse.                 

Alsof je een versnipperd geheugen verzamelt en ordent.                  Een vriend haalt dan maar eens eindelijk zijn kelder leeg en komt zijn leven tegen. En zoals hij zei: ‘Ik heb een tweede leven nodig om mijn eerste op orde te krijgen.’                  Enzovoort.                 

Ik neem aan dat er van zulke verhalen nu duizenden zijn. Mensen die in deze lockdowntijden van alles terugvinden, ontdekken, met de verwondering en de verbazing die daarbij horen.                

  Zoals ik evengoed besef dat velen de verfdoos waarmee ze het nu moeten doen bij wijze van spreken het liefst door het raam zouden gooien.                  

Hoe het zij, we leven in een tijd van begrenzing. Zelfs van afzondering. Behalve veel manifeste nadelen – sociaal isolement, mentale wankelheid, ontwrichte leefpatronen en nog erger – kan dat ook een voordeel hebben: de toewijding.                   Willens nillens zijn we nu ‘teruggeworpen’ op het essentiële, of rudimentaire. Dan hebben we de keuze; ofwel omarmen we het, ofwel verwerpen we het.                 

We kunnen het ook negeren, maar dan vertoeven we in een soort niemandsland. En waar zijn we dan.                  

Ik heb het nu over de omarming. Omarming is ontferming, en toewijding. Wij moeten ons nu meer dan ooit ontfermen over het nabije, de ‘naaste omgeving’, de knuffelcontacten, de bubbels, onze gezinnen, of hoe we het allemaal ook kunnen noemen. Want het nabije loopt gevaar en we moeten het beschermen. Niet alleen in het belang van het nabije, ook om het afgelegene niet in gevaar te brengen.                 

Door het virus liggen het nabije en het afgelegene veel dichter bij elkaar dan normaal. Ontfermen kan op verschillende manieren. Van mededogen tot empathie tot toewijding. Dat laatste is misschien het moeilijkst, maar het is me ook het dierbaarst. Ik wijd me graag toe.                 

Toewijding, om het wat ordinair te zeggen, is een win-winsituatie. Zowel het voorwerp van – vanzelfsprekend een gezonde – toewijding als wijzelf hebben er baat bij. Het voorwerp krijgt aandacht en liefde, wijzelf hebben twee voordelen: het welbehagen van het aandacht géven en het genot van de vergetelheid.                 

Want dat laatste is wat toewijding vaak veroorzaakt: we gaan op in, we geven ons over aan het andere en vergeten even onszelf. Het is een soort samenvallen, hoe illusoir ook.Het zou kunnen dat er nu, door de bijzondere omstandigheden, meer toewijding is onder ons. Minstens zal er meer aandacht zijn voor het nabije, al was het maar omdat we nu even niet anders kunnen tussen de vier muren die we voordien misschien zelden hadden opgemerkt.Laat staan al de rest.                  Ik zeg dit alles in het volle besef dat die muren nu bij menigeen onder ons ook op ons kunnen af­komen en mijn gedachten over aandacht en toewijding binnen die muren futiel en zelfs misplaatst romantisch kunnen klinken.                 

En toch.Ik blijf bij schilder Paul Klee en zijn verfdoos. Om het anders te zeggen: ik wil bij de les blijven. In mijn kot. Want natuurlijk word ik er ook soms zot en kruip ik er de muren op.Maar er is altijd nog de verfdoos, als gedachte. Ze helpt mij. Ze zorgt voor drie wezenlijke dingen: kleur, verbeelding en structuur – uitgerekend de drie-eenheid die ik nu hard nodig heb. Tussen de muren.En tussen de oren.                 

Evident levert een verfdoos de nodige kleuren. Ik herinner me de betovering ervan, een kleine eeuwigheid geleden, in de korte broek. De doos bevatte twaalf kleuren, in het jargon ‘napjes’, zoveel als de maanden. Die kleuren zaten vast in een cirkelvormig, hard soort gebakje, en het materiaal heette ‘plakkaatverf’.                 

Nog altijd niet weet ik waarom dat zo heet, maar daar heb ik vrede mee. Het is een toverwoord. Zodra je een van de kleurgebakjes aanraakte met wat water en een borsteltje, kon je vele tientallen andere kleuren opwekken. In wezen waren de mogelijkheden zelfs eindeloos, maar dat laatste woord zei me toen nog niet veel. In een verfdoos schuilt oneindigheid. Net als in mijn huis, en in mijn hoofd. Ik moet dan denken aan twee schrijvers die elk een heerlijk boek hebben geschreven met dezelfde titel. Eind achttiende eeuw schreef de Fransman Xavier de Maistre Voyage autour de ma chambre. Eind twintigste eeuw schreef de Nederlander J.M.A. Biesheuvel Reis door mijn kamer. ‘Ik zal u door mijn kamer laten reizen tot het u duizelt!’ Zo begint die laatste aan zijn reis. Door zijn kamer. Hij voegt eraan toe: ‘Ik zal u mijn kamer beschrijven precies zoals hij is.’ Dat is maar ten dele waar, want dan zou het een wel erg dun boekje zijn geworden. De kamer gaat met het geheugen en met de verbeelding van de schrijver aan de haal.                 

Net zoals dat het geval is bij de eertijdse Franse schrijver. Die noemt zijn optrekje, waar hij verblijft wegens huisarrest – ‘met een omtrek van 36 passen’ – het ‘land van de verbeelding’. Dat alles wordt krachtig samengevat door weer een andere schrijver, de Fransman Georges Perec in zijn boek Het leven een gebruiksaanwijzing, uit 1978. Daarin stelt die zich tot doel: ‘Datgene onderzoeken dat zo vanzelf lijkt te spreken dat wij er de oorsprong van zijn vergeten.’ De dagelijkse dingen dus. Waarvan we soms niet eens meer weten waar ze vandaan komen, wat ze bij ons staan te doen of wat ze precies betekenen, en al helemaal niet waar ze naartoe zullen gaan.                 

‘Dagbladen spreken over alles, behalve over het dagelijkse’, noteerde Perec ooit. Voor dat verschijnsel vond hij zelfs een begrip uit: het ‘infraordinaire’, als tegenhanger van het extraordinaire. Het binnengewone, of ondergewone, versus het buitengewone, zo vertaal en parafraseer ik het nu maar even. Dat ondergewone omvat, las ik in een beschouwing over zijn boek, ‘de kleine voorvallen waar ons dagelijkse leven uit bestaat, voorvallen die allicht meer over ons zeggen dan die ene exceptionele gebeurtenis die wij als zo betekenisvol zien. De dingen waar onze blik talloze keren per dag overheen glijdt zonder dat we ze werkelijk zien’. Zo is het helemaal.

En zo ben ik terug bij de verfdoos. En Paul Klee. En bij het derde thema dat ik hierboven associeerde met zijn uitspraak – ‘Je past je aan aan de inhoud van je verfdoos’. Structuur.Het is waar motivatie- en andere psychologen tegenwoordig op hameren: ‘Breng structuur in je leven, creëer een soort routine.’ Weinig zo overzichtelijk en gestructureerd, zo minimaal en toch zo onafzienbaar en onvatbaar als een verfdoos. Uit twaalf of vierentwintig (of soms achtenveertig) kleuren en enkele varianten kan een heel universum ontstaan. Iets dergelijks geldt voor de huizen, de woonkamers, de ruimten waarin wij ons nu verplicht moeten terugtrekken. Uiteraard zijn die doorgaans niet zo onbetwistbaar ordelijk als een verfdoos, vermoedelijk zijn ze meestal nogal wanordelijk, ondanks een schijn van orde. In onze gearrangeerde keukenkasten, boekenrekken of vaatwassers.In wezen zijn er alleen maar losse dingen aanwezig, die toevallig zijn samengeschoold in onze vertrekken en die wij tot een geheel bedenken en verbeelden. Of waarin een gemeenschappelijk nut is gegroeid tussen onze muren. Een verfdoos is evenzeer nutsvoorwerp als bron van verbeelding. En dat kunnen we, in wezen, beweren over zowat alles wat zich in onze nabijheid bevindt – en natuurlijk ook in de verte, maar op een andere manier.                  Een even laconiek als doodserieus als voor sommigen ongetwijfeld hilarisch advies van de eerder genoemde Georges Perec luidt: ‘Bestudeer uw theelepeltjes.’  Alsof je een theelepeltje kunt bestuderen. Maar Perec meent het en hij gaat nog verder. Niet alleen moeten we de ons omgevende dingen bestuderen, we moeten ze ook ondervragen.‘Wat we moeten ondervragen,’ schrijft hij, ‘zijn stenen, beton, glas, onze tafelmanieren, onze gebruiksvoorwerpen, ons gereedschap, de manier waarop we onze tijd doorbrengen, onze ritmes.’In het Frans staat er ‘interroger’. Dat kan ook nog, in onze taal, betekenen: overhoren, uithoren, uitvragen, doorvragen, toetsen, interpelleren. Maar de mooiste betekenis vind ik: afluisteren. Het idee dat wij de dingen die ons omringen, zouden kunnen afluisteren, als spionnen van hun geheime leven – het is een wonderlijke gedachte. We zouden een heel nieuw heelal te weten komen. De opsomming van Perec lijkt een raar allegaartje bij elkaar, van stoffelijk tot onstoffelijk. Van beton tot manieren. Maar de schrijver heeft een heldere missie: ‘We moeten datgene ondervragen waardoor we schijnbaar nooit meer verbaasd kunnen worden.’ Dat ‘nooit meer verbaasd kunnen worden’ klinkt hard, maar het is waar. Wij geven de dagelijkse dingen soms zo gemakkelijk achteloos op. Als afdankertjes. We zien de schoonheid, de oneindigheid, de schat van de verfdoos niet meer. En dan heb ik het over ding én mens. Maar er is natuurlijk een verschil tussen die twee. Ik kan, net zoals de eerder genoemde schrijvers, al de dingen in mijn woonruimte bestuderen en ondervragen. Om ze te begrijpen. En ze zullen me uiteraard laten doen. Hun feitelijke onverschilligheid voedt, soms tomeloos, mijn verbeelding. De dingen brengen me op gedachten die zijzelf niet eens kunnen raden. Geen enkel ding denkt: wat denkt die toegewijde mens eigenlijk van mij? Laat staan, wie denkt hij dat hij is? Toewijding aan mensen, naasten, geliefden, zelfs aan de liefde van ons leven, werkt anders.                 

Velen onder ons leven nu onverwachts dag in, dag uit dicht op elkaar. Tussen de vier muren. Tussen de oren. En onder de lichamen, en de ons omringende dingen. Het zou een gelegenheid kunnen zijn om elkaar ‘beter te leren kennen’, ‘nader tot elkaar te komen’ en zo nog wel wat. Tot en met toewijding. Maar zo werken wij niet. Wij hebben andere grenzen dan de dingen, en ook de afstanden zijn verschillend. En de bewegingen en de verwachtingen kunnen zowat levensbreed uiteenlopen.Toch doe ik het regelmatig eens, als een oefening: me in gedachten een tijdlang – van minuten tot uren, zowel overdag als helaas ’s nachts – even volledig toewijden aan een dierbare. Soms zelfs koortsachtig. Dan komt men soms de wonderlijkste dingen te weten over de anderen, waar zij vaak zelf niet van op de hoogte zijn.                 

Alsof ze elk hun eigen verfdoos zijn. En ik het penseel en het water.  

Bernard Dewulf, november 2020  

Bernard Dewulf (1960) studeerde Germaanse filologie. Hij publiceerde onder meer 'Waar de egel gaat' (bekroond met ASLK-prijs voor het literaire debuut 1995) en 'Bijlichtingen'. Ook vertaalde hij het klassieke toneelstuk 'Alcestis', in de bewerking van Ted Hughes. Met 'Kleine dagen' won Dewulf de Libris Literatuur Prijs 2010. Eind november 2020 verscheen zijn nieuwste bundel essays 'Tuimelingen' Over leven, kunst en kijken. BibliografieTuimelingen (Atlas Contact, 2020) - EssayNaar het gras (Atlas Contact, 2019) - PoëzieLate dagen (Atlas Contact, 2016) - ProzaToewijdingen. Verzamelde beschouwingen (Atlas, 2014) - EssayEen lolita (Voetnoot, 2012) - TheatertekstVerstrooiingen (Atlas, 2012) - EssayKleine dagen (Atlas, 2009) - ProzaNaderingen: kijken & zoeken naar schilders (Atlas, 2007) - EssayLoerhoek (Atlas, 2006) - ProzaBijlichtingen: kijken naar schilders (Atlas, 2001) - EssayWaar de egel gaat (Atlas, 1995) - Poëzie  

Het essay 'Bestudeer je theelepeltjes' verscheen eerder in De Standaard Weekblad van 14 november 2020. Gepubliceerd met toestemming van de auteur Bernard Dewulf