Beeldatelier(sombeke)

Docent: Maud Vande Veire
Locatie: Sombeke
Veldstraat 4, 9250 Waasmunster
2 lestijden per week
Woensdag van 14h00 - 16h00
Zaterdag van 10h00-12h00 ( Tinka Pittoors)

img3702.JPG

Maud Vande Veire

LAGERE GRAAD (1ste-3de leerjaar)  

De manier waarbinnen de drie aspecten (thematisch, technisch en de beeldende) van een les beeldende vorming aan bod komen, is zoveel mogelijk afgestemd op de graad van ontwikkeling van de verschillende emotionele, intellectuele, sociale, technische, … parameters van de individuele student. Naast het aanbieden van een algemene structuur naar de groep toe, worden er dus ook voor elke afzonderlijke leerling aparte structuren geformuleerd.  

1) BREEDTE: een “veld” van mogelijkheden Het is belangrijk dat iemand die nauwelijks (beeldend) gevormd is duidelijke informatie krijgt of in aanraking gebracht wordt met de wegen waarlangs hij of zij informatie en kennis kan opdoen. Op die manier bouw je voor iemand een veld van mogelijkheden op. Concreet: Ik probeer in het klaslokaal zelf verschillende “informatiekanalen” binnen te brengen: een prikbord, een stockageplaats met allerlei verschillende materialen, een bibliotheek met boeken, ipad met beelden van het internet,… Ook ikzelf als mens, kunstenaar en leerkracht ben een kanaal van informatie:  ik deel mijn praktijkervaring, bij het zien van dingen maak ik associaties en wijs zo op andere mogelijkheden. Ook worden de leerlingen gestimuleerd om zelf bijdragen te leveren aan deze “kanalen” of deze uit te breiden met andere mogelijkheden en op deze manier een veld van mogelijkheden voor zichzelf leren creëren.    

2) LENGTE: een ‘stand’-punt, mijn ‘afstand’ tot de dingen  Ik zie het als leerkracht niet alleen als mijn taak om de leerlingen te duiden op een ‘veld van mogelijkheden’ maar ook om duidelijk te maken dat je een gefundeerd standpunt en kan innemen en een persoonlijke waardering kunt uiten ten opzichte van die informatie.   Concreet: Tijdens individuele besprekingen of tijdens een groepsbespreking van een werk worden de leerlingen aan de hand van een aantal vragen gestimuleerd om hun persoonlijke waardering te uiten en van een “standpunt” over te gaan naar een “gefundeerd” standpunt.    

3) DIEPTE: kijken in jezelf Een leerling leert niet alleen om zelf gefundeerde standpunten in te nemen ten opzichte van de informatie die hij/zij verwerkt heeft, daarbij komt dat hij/zij met de hulp van de leerkracht op basis van analyse en vergelijking ook leert om zijn/haar standpunt tegenover zijn/haar eigen creaties te formuleren.  Concreet: Om dit proces goed te doorlopen is het belangrijk dat de leerkracht zelf inzicht krijgt in de wereld van het kind. Het schetsboek neemt hier een zeer belangrijke plaats in. Via het schetsboek vertelt het kind over zichzelf. De beelden in het schetsboek worden door de leerkracht uitgebreid bevraagd en in relatie gebracht met andere beelden (van (hedendaagse) kunstenaars,  objecten,  omgeving,…) en daarmee vergeleken. Het kind leert zelf aanduiden wat de verschillen en gelijkenissen met deze beelden zijn en leert zo zijn eigen werk te plaatsen.  

 4) ALLE DIMENSIES: eigen ruimte Waar in het begin de leerkracht deze "dimensies" (breedte-lengte-diepte) aanbiedt (en in het bijzonder welke dimensie (of welke combinatie van dimensies) op dat ogenblik voor een specifieke leerling het meest relevant is in zijn/haar leerproces), zal de leerling in zijn verdere evolutie gestimuleerd worden om steeds meer zelf op zoek te gaan naar welke specifieke "dimensies" voor hem/haar het meest bruikbaar zijn in een specifieke fase van zijn/haar leerproces.  Het leren toepassen en integreren van de bovengenoemde "dimensies" is gericht op een proces van verzelfstandiging dat op termijn kan leiden tot de ontwikkeling van een eigen "ruimte" die zichtbaar wordt in een eigen beeldende taal waarbinnen de interactie tussen de thematische, technische en beeldende aspecten zeer specifiek van aard is.